start contact

Blueberries leave bruises on the skin

Distels

een boek is

Lied van de pluk

Inventaris van een leven

Oud Hospitaal

Playlist van de pluk

Quiévrain

Sla de stad open

Vindplaats

Weet je nog?

De man met vier vingers

Haan

Ispahaan

Just around the corner

Schootheuvel

Stukken voor De Standaard

Vier clownsvissen

Vier clownsvissen

Vier clownsvissen werd gepubliceerd in De magmakamer, een editie van het literaire tijdschrift DW B, gecureerd door Charlotte Van Den broeck en Jeroen Dera.

In het blauwe schijnsel van de verlichte aquaria ligt mijn vader met open mond. Het vissengrotje ligt in stukken naast zijn dij. De huis, tuin – en keukengoochelaar. Klap in je handen en uit zijn mond springt een narretje.

De sluierstaarten in het aquarium naast hem zijn samengeschoold in een hoek. Het snelle zwiepen van hun staarten doet hun lichaampjes trillen. Niet huilen, maatjes. Hij doet weer alsof.

“E.T. phone home”, roep ik van bij de deur. Geen reactie. Ik heb geen zin in dit spelletje. Ik stap naar zijn lichaam.

Nu pas zie ik de plas bloed waarin zijn hoofd ligt. Het gapende gat boven zijn slaap. Mijn blik vernauwt. Er komt een scherpe pieptoon op. Ik hurk, sla op zijn wang. Sla harder. Geen reactie.

Ik graai in mijn tas. Mijn gsm. Ik moet iemand bellen. Niet mama, die is bij Wolf. Spoed. Wat is dat klotenummer dat ze er in school inhameren. Ik probeer 211. Onbestaand nummer. 121. Onbestaand nummer. Natte handpalmen, braaksel in keel. Wegslikken. 112. Een mannenstem kraakt door de lijn. Ik praat zonder denken. Vader. Gat in hoofd. Vissenwinkel. Adres.

Of hij nog leeft, vraagt de man. Pardon? Ik vink af. Vers bloed. Warm lijf. Ik leg mijn hand bij zijn hart. Er bonkt iets. Ik weet niet of het mijn eigen hartslag is of die van hem. Hij leeft nog. Hij moet nog leven. Wolf zou nooit meer bij de schapen vandaan komen. Rustig blijven, zegt de man.

Ik druk mijn handen in mijn schoot, zodat ze stoppen met trillen. Ik kijk naar mijn vader. Zijn ogen zijn niet helemaal dicht. Ik zie twee dunne streepjes witte oogbal. Alsof hij op pauze is gezet terwijl hij met zijn ogen draaide om een voorbijrijdende Jaguar, of om het nieuws dat er een film komt over Wall Street. Hoe moet ik nu rustig blijven? Mijn vader is aan het doodbloeden. Kloteservice.

Achter de toonbank liggen babydoekjes om de aquaria mee te poetsen. Ik gris er een stuk of tien uit het pak en druk ze tegen mijn vader zijn wond. Met twee frisse doekjes dek ik zijn ogen toe. Hij zou hier vast Les amants van Magritte inzien, onze kunstkenner. Onze edelweiss in een bergdal. De papa die ons in bed de krant voorlas en iedere ‘oorlog’ verving door ‘worteltjestaart’. Acht uur ’s avonds, kerstlichtjes aan, hij in het midden. Wolf en ik ieder tegen een van zijn armen. “Er is weer worteltjestaart in Libië”. “Hoeraaa”, riep ik. En Wolf erachteraan: “Oe-aaa”, eerder als een vraag.

Het bloeden stopt niet. In de tijd dat ik een vers doekje pak, is er een nieuwe guts langs zijn slaap gelopen. Ik spring op, haal het opberghok overhoop. Het moet vlug gaan. Zonder denken maai ik alles van de rekken. Een afgeschoten tuinkabouter, vazen en gipsen herdertjes vallen stuk.

In een hoek vind ik de binnenband van een fiets. Ik ren ermee naar mijn vader. Op de wond druk ik een paar doekjes. Met mijn vrije hand bind ik de fietsband driedubbel rond zijn hoofd. Ik zie mezelf van bovenaf. Dochter maakt roerloos paasei van vader. Hoe aandoenlijk. Ik ben gek dat ik dit voor hem doe. Ik vraag mij af, of hij zelf niet liever doodbloedt.

Vorige keer stond hij met zijn gezicht tegen de achterwand van het grootste aquarium gedrukt. Door het water en het glas waren zijn ogen zo groot als kwallen. Tussen ons in zakten biljetten van vijftig en honderd naar de bodem. Eén vis hapte ernaar. “money money… must be funny…”, mompelde mijn vader. Ik moest kei hard op mijn lip bijten om het op een vreemde manier niet schattig te vinden.

Ik sleurde een stoel naar het aquarium, sprong erop en graaide in het water naar de biljetten. Drie kon ik er redden. En roepen: “Fuck you, papa! Fuck you! Zie wat ge doet! Fuck you!” Tot niks van wat ik riep nog betekenis had.

Op de toonbank streek ik de biljetten glad.

Ik moest denken aan Annalau, die vroeger bij me in de klas zat. ’s Middags at ze twee sneden wit brood met zout. Bij de schoolpoort kreeg ze eens klappen van haar moeder toen er een scheur zat in haar tas. In de rij durfde ik haar nooit een handje te geven. Ik dacht dat wat haar overkwam een ziekte was.

Toen ik die doornatte biljetten gladstreek, keek ik extra lang naar mijn eigen handen. Wie durft er nog naast mij in de rij, dacht ik.

Mijn vader kwam naar me toe gewaggeld. Hij moest zich vasthouden aan de toonbank om niet te vallen. Zijn adem stonk uren in de wind. Ik kon het soort alcohol niet thuisbrengen. Als ik het merk kende, zou ik iedere nachtwinkel op mijn weg binnengaan en die flessen tegen de grond smijten. Hij kwam met zijn lippen naar mijn oor: “Ik ben toch gewoon vrolijk?” Ik schopte hard tegen de toonbank. Met een bonkende voet liep ik de winkel uit.

Het duurt al twee jaar, dit mislukte cabaret. Telkens ik de winkel binnenstap hoop ik dat zijn gelal tegen de clownsvissen een act is. Dat hij midden in zijn zwalpen blijft staan, kucht en zegt: “Dit was de mop van de man die te diep in het glas keek. Hoe gaat het met je, meisje?” Telkens hoop ik dat hij tot zulk acteerwerk in staat is. Tot ik zijn stinkende adem ruik. Maar zelfs dan nog hou ik me vast aan het idee dat een performer pur sang aan ieder detail heeft gedacht.

Zo leerde hij het ons vroeger. Bij kerst voerden Wolf en ik eens het toneeltje van de twee wijzen op. Ik wapperde met echte wierookstokjes en Wolf had ik een schaaltje in zijn handen gedrukt met daarop mama’s gouden sieraden. Met trage passen wandelden we de woonkamer binnen. Mama had tranen in haar ogen, maar papa riep: “Wacht! Hebben jullie aan de ster gedacht?” Ik schudde mijn hoofd. Papa sprong op uit de zetel en kwam terug met een geel papier. Hij kwam voor me staan en plooide het twee keer op. Daarna sloot hij zijn twee handen eromheen. “Blaas eens”, zei hij. Terwijl ik blies, opende hij zijn handen. In zijn palmen lag een papieren ster.

“Zo”, zei hij, “nu is het echt.”

Ik zit nog steeds gehurkt bij zijn lijf. Langzaam til ik een van de babydoekjes die zijn ogen bedekken op. Misschien is hij in stilte wakker geworden en wacht hij nu op het moment dat ik een doekje optil, om een luide jodelkreet te slaken.

Zijn ogen staan nog in dezelfde stand. Ik laat het doekje weer zakken. Mijn ogen prikken. Ik bijt op mijn onderlip. Binnen de kortste keren zijn mijn wangen nat. Zie mij nu. Eliza de Vikingvrouw, opgewassen tegen de wereld. Ik sta op, zoek naar iets wat me rustig kan maken.

De vissen bekijken. Dat is zeker twee jaar geleden, sinds ik het huis uit ben. Ik begin links vooraan. Het handgeschreven bordje ‘océan exotique’ hangt er nog. Toen papa met de winkel begon, had hij het idee om de vissen thematisch in te delen. Ieder aquarium werd een wereld op zich. Eigenlijk wilde hij een verkleedwinkel openen, maar daar was te weinig vraag naar.

Hier schieten de Siamese kempvissen met hun bloemenstaarten rond tussen de vleesetende planten van plastiek. Ze lijken minder spectaculair dan toen. De witte met de inktvlek op haar waaier zit er nog steeds. Die raakt nooit verkocht. Veel te atypisch.

Ik zet een pas opzij om de vissen in de volgende bak te bekijken, maar struikel over mijn vader zijn voeten. Hij draagt witte Reeboks.

Vroeger, in de zomer, droegen we allemaal sandalen met kurken zool, in vier verschillende maten. Dat waren de enige schoenen die zich naar Wolf zijn voeten zetten.

Vaak stonden ze van groot naar klein onderaan de trap, omdat we veel deden dat zonder schoenen beter ging. Zoals met papa de keuken fel paars schilderen. De rest van de verf smeerden we in de vachten van de schapen achter in de wei. Het schaap dat we Kelsey noemden, had een jaar later nog een paarse schijn. Of de gele bloemen in de wei onderaan de stengel knippen en ze in een grote SOS leggen. Dan de hele namiddag in de wei liggen en bij iedere luchtballon luid roepen.

Ik doe mijn best om niet naar het bordje van deze bak te kijken, want ik weet wat er staat. “here coms the sun”. Hij vergat de e en heeft het nooit aangepast. Arme gele sluierstaarten en Platy’s. Ik blijf lang naar hen kijken.

Aan de andere kant van de winkel druk ik mijn mond tegen het glas van de ‘soirée disco’. Een vis met paarse bollen drukt haar kieuwen tegen mijn lippen. Dit is van een te grote intimiteit. Ik trek mijn hoofd terug en kijk recht in twee dieptrieste ogen. Om de paar seconden gooit een verdomde discobal haar lichtspots het water in. Ik hoop dat het waar is, van dat vissengeheugen.

Na drie bakken word ik onrustig. Met een schok draai ik mij om. Mijn vader ligt nog steeds roerloos op de tegels. Hoe laat is het? Ik zoek een klok, maar hier hangt er natuurlijk geen. Mijn vader leeft op het ritme van de zon, hey. Waar blijft de ambulance? Heb ik het juiste adres doorgegeven?

Ik vink af. Mijn kot: Rodelangelaan. De vissenwinkel: Lozanenvest. Thuis: Pommederiastraat. Heb ik Pommederiastraat gezegd? Ik probeer mij het gesprek te herinneren. “Pommederiastraat.” Ik zeg het luidop. Het ligt zo vers in mijn mond. Mijn hart bonkt in mijn keel. Ik heb Pommederiastraat gezegd. Pompepompommederiastraat. Zo leerde papa het mij vroeger aan. Verrekte Pommederiastraat.

Ik beeld mij in hoe Wolf de sirenes van in de verte hoort aankomen. Tussen de schapen verstart hij. De zwaailichten gooien kort een blauwe gloed over de schapenvachten. Een van de hulpverleners belt aan. Mama doet open. “Is dit de vissenwinkel?” Mama stottert: “De vissenwinkel? Nee – Mijn man werkt daar –” De hulpverlener fronst. “Er belde een meisje met de boodschap dat haar vader in de vissenwinkel ligt. Met een gat in zijn hoofd. Ze gaf dit adres op.”

Ik gris mijn gsm van de tegels. 112. “Het adres is Lozanenvest, niet Pommederiastraat”, hijg ik. “Wat zegt u?” “Ik ben het meisje van de vissenwinkel. Ik heb het foute adres doorgegeven.” “Vissenwinkel? Even kijken… Hier staat: Lozanenvest. Wat is het correcte adres?” “Lozanenvest”, piep ik. De kraakstem mompelt iets. “Doet u maar rustig, ze zijn zo bij u.”

Het is moeilijk om het grootste aquarium in het midden te negeren. Er hangt geen bordje. Het decor is sober. Beige steentjes, simpele belichting. Vier clownsvissen in te veel water. Zonder grotje is het geheel nog kaler.

“Die verkoop ik niet”, zei papa als een klant in een uitzonderlijk moment interesse toonde. “In onze wereld zijn we met vier. En we blijven er met vier.” Het was onze ‘destin’. In het Nederlands had je er geen passend woord voor. We waren met precies genoeg om ieder een tip van een picknickdeken vast te pakken en samen op te plooien. “En wat is er een grotere hoofdzaak in het leven dan picknicken”, lachte papa. Al zat Wolf steeds aan de kant en moest ik twee tippen vasthouden.

Wolf en ik deden vaak grotekinderspelletjes. Die vond Wolf zo leuk dat we ze steeds opnieuw speelden. Zoals verliefd worden: ik verkleedde me als bosnimf, Wolf liep door het bos, zag me en was op slag verkocht.

Het eindigde altijd anders. Soms stierf ik door de aanraking van een mens, soms trouwden we, soms liet Wolf me in de steek voor het vieruurtje.

Of onze eigen formules bedenken als ‘eindwerk’, want dat is een woord dat mama ons had geleerd. Op zolder bladerde ik door oude atlassen. Ik deelde de hoogte van het Andesgebergte door de breedtegraad van Algerije, telde daar de diepte van de Filipijnentrog bij op. Dat alles vermenigvuldigde ik met het jaartal waarin de totale bevolking van Burundi in een grafiekje was gegoten. Ik krabbelde alles neer op een oud schoolbord. Dan liet ik mijn vinger rusten op de formule. Ik riep: “is gelijk aan!” en keek naar Wolf. Die kreunde: “ijf anaan”. Vijf bananen.

Een keer gooiden we na onze uiteenzetting met afstudeerhoeden die we zelf hadden geknutseld. De keer daarna stortte er tijdens Wolf zijn antwoord een komeet neer achter het bord.

We werden in onze spelletjes nooit ouder dan achttien. We speelden nooit de dag na het gooien van de hoed. We werden nooit de leeftijd waarop ik er niet meer zou zijn om van Wolf de tweede wijze, de drenkeling of het eenmanspubliek te maken.

Ik herinner me een van de eerste weekends dat ik terug naar huis kwam. Er stond geen zigeunermuziek op. Ik hoorde nergens papa die mama met een gek dansje aan het lachen maakte.

Ik liep het hele huis door, naar de veranda achteraan.

Aan de tafel zat papa met zijn rug naar me toe. Hij staarde naar een punt in de wei. Er stond een glas rode wijn op tafel. Mijn blik bleef eraan haken. Misschien omdat rode wijn een absolute antipapadrank was. Het hoorde bij mannen met coltruien, niet bij hem.

Ik hurkte, zodat ik recht door het glas heen keek. Eerst zag ik in het glas een stuk verbogen wei met schapen erop. Dan pas zag ik in het glas waar papa naar keek. Tussen de schapen zat Wolf.

Langzaam wandel ik naar mijn vaders lijf. De babydoekjes zijn opnieuw donkerrood. Boven hem dwalen de vier clownsvissen rond in groen water. Deze scène zou een grotekinderspelletje kunnen zijn.

Ik zak neer op de grond, leg mijn vader zijn hoofd in mijn schoot. Mijn broek wordt langzaam nat van het bloed dat door de doekjes heen dringt. Ik laat mijn gezicht tot bij het zijne zakken, tot onze neuzen elkaar raken. Hoe lang is het geleden dat ik nog zo dicht bij hem ben geweest? Ik sluit mijn ogen. De geur van alcohol snijdt door zijn lijfgeur heen, maar ik blijf hangen. Na een tijd ruik ik het niet meer. Ik ruik alleen nog maar hem. Kampvuur en zwarte koffie.

Het liefst zou ik mijn schoot onder zijn hoofd wegtrekken, schreeuwen: “Dit komt ervan!” en de deur hard achter me dichtslaan. En morgen terugkomen, hem weer met dat gat in zijn slaap aantreffen, hem misschien rechttrekken en als een kartonnen reclamepop bij de ingang opbaren, met een duim omhoog. En de dag daarna terugkomen, hem weer met dat gat in zijn slaap aantreffen, een ander einde bedenken.